At the heart of each drama is a desire to be better, more principled and worthy of the community's respect. With his trademark compassion and sharp-eyed wit, Amos Oz leaves us with the feeling that what matters most between friends is the invisible tie of our shared humanity.
The authors roam the gamut of Jewish history to explain the integral relationship of Jews and words. Father and daughter tell the tales behind Judaism's most enduring names, adages, disputes, texts, and quips. These words, they argue, compose the chain connecting Abraham with the Jews of every subsequent generation. From the unnamed, possibly female author of the Song of Songs through obscure Talmudists to contemporary writers, they suggest that Jewish continuity, even Jewish uniqueness, depends not on central places, monuments, heroic personalities, or rituals but rather on written words and an ongoing debate between the generations.
Jeruzalem, de winter van 1959. Sjmoeël Asj besluit zijn studie (en zijn scriptie waarin hij zich vooral zou richten op de rol van de mysterieuze Judas) af te breken. In diezelfde tijd verlaat zijn vriendin hem en blijkt dat zijn ouders hem niet meer financieel kunnen ondersteunen. Sjmoeël heeft er genoeg van en wil Jeruzalem verlaten, maar dan ziet hij een advertentie die hem de mogelijkheid geeft om toch te blijven, ook al mag hij niemand vertellen waar hij is. Hij komt terecht in het huis van een oude man, Gersjom Wald. ’s Avonds laat leest Sjmoeël hem voor; ze praten over het zionisme en het conflict tussen de joden en de Arabieren. Ze praten, kortom, over God en de wereld. In het huis van de oude man ontmoet Sjmoeël ook de ondoorgrondelijke Atalja Abarbanel. Direct is hij van zijn stuk gebracht door de schoonheid en ongenaakbaarheid van deze vrouw. Langzaam weet hij het geheim van de relatie tussen de oude man en Atalja te ontrafelen.
In een zaaltje op een industrieterrein ten noorden van Tel Aviv staat de kleine, bebrilde stand-upcomedian Dov Grinstein op het toneel. Elke keer dat het hem niet lukt het publiek aan het lachen te krijgen, slaat hij zichzelf schrikbarend hard in het gezicht. Als het publiek begint te morren, spreekt een kleine vrouw de zaal toe vanaf de eerste rij. Zij leerde Dov kennen als kind: toen was hij een beetje vreemd, maar hij was de enige die haar niet pestte. Door haar verhaal neemt Dovs optreden een persoonlijke wending. Hij vertelt over zijn vader Chezkel (kapper en handelaar in namaak-Levi’s) en moeder Sara (kampoverlevende), en zegt dat hij vroeger op zijn handen liep om zijn droevige moeder aan het lachen te krijgen. Het publiek wil moppen, maar Dov gaat verder met zijn eigen levensverhaal. Als tiener werd hij op een dag weggeroepen uit het premilitaire trainingskamp, omdat een van zijn ouders was overleden. Niemand vertelde hem wie er dood was, en tijdens de rit naar Jeruzalem bedenkt hij van wie hij het erger zou vinden. Hij zet plusjes en minnetjes achter zijn vader en zijn moeder en vindt zichzelf daarom een klootzak. Daar krijgt hij wel applaus voor, van de laatste drie mensen in de zaal.