Im April 1942 spricht die 21-jährige Studentin Hélène in ihrem Tagebuch noch von Lebensfreude, einer hoffnungsvollen Liebe, von Musik und Literatur. Zwei Monate später muss sie den Judenstern tragen und notiert von nun an das unglaubliche Unrecht und den grassierenden Antisemitismus. Sie arbeitet für eine geheime Organisation und hilft Angehörigen von bereits internierten Juden. So weiß sie sehr genau um die Lebensgefahr, aber Flucht käme für sie einem Verrat gleich. 1944 wird sie mit ihren Eltern deportiert und stirbt im April 1945 im KZ Bergen-Belsen.
From April 1942 to March 1944, Hélène Berr, a recent graduate of the Sorbonne, kept a journal that is both an intensely moving, intimate, harrowing, appalling document and a text of astonishing literary maturity. With her colleagues, she plays the violin and she seeks refuge from the everyday in what she calls the "selfish magic" of English literature and poetry. But this is Paris under the occupation and her family is Jewish. Eventually, there comes the time when all Jews are required to wear a yellow star. She tries to remain calm and rational, keeping to what routine she can: studying, reading, enjoying the beauty of Paris. Yet always there is fear for the future, and eventually, in March 1944, Hélène and her family are arrested, taken to Drancy Transit Camp and soon sent to Auschwitz. She went - as is later discovered - on the death march to Bergen-Belsen and there she died in 1945, only five days before the liberation of the camp. The last words in the journal she had left behind in Paris were "Horror! Horror! Horror!", a hideous and poignant echo of her English studies. Hélène Berr's story is almost too painful to read, foreshadowing horror as it does amidst an enviable appetite for life, for beauty, for literature, for all that lasts.
In het dagboek van Hélène Berr, dat de periode bestrijkt van 7 april 1942 tot 15 februari 1944, volgen we het leven van een Joods meisje uit een gegoede familie in bezet Parijs. Aanvankelijk beschrijft Berr hoe ze geniet van het studentenleven en haar studie aan de Sorbonne, de wandelingen door Parijs en haar beginnende liefde voor Jean Morawiecki. Maar algauw wordt die ogenschijnlijke zorgeloosheid verstoord. Door de anti-Joodse verordeningen van de bezetter wordt het leven van Hélène en de mensen in haar omgeving steeds meer ingeperkt en nemen de dreiging en eenzaamheid toe. Uiteindelijk wordt het dagboek een manier om haar ervaringen te delen met haar verloofde Jean, die Frankrijk heeft verlaten om zich aan te sluiten bij de Vrije Fransen van generaal de Gaulle. ‘Ik weet’, schrijft Hélène, ‘waarom ik dit dagboek bijhoud, ik weet dat ik wil dat Jean het krijgt als ik er niet ben wanneer hij terugkomt. Ik wil niet weggaan zonder dat hij alles weet wat ik in zijn afwezigheid heb gedacht.’