Louis Paul Boon was een Vlaamse schrijver, dichter en schilder. Zijn werk kenmerkt zich door een unieke stijl, die zich vaak verdiept in complexe menselijke relaties en maatschappelijke thema's. Boon verkende in zijn creaties de grenzen van taal en kunst, waarmee hij een krachtig en blijvend literair erfgoed creëerde.
Als liefhebber van de Vlaamse keuken schreef Boon over de lekkerste gerechten: paling in 't groen, goudgeel gekookte uier, zwarte worst met rodekool, tatjespap en patatterkoek en stinkkaas met hete koffie. 'Eten op zijn Vlaams' is een liefdesbetuiging aan het eenvoudige en deugdelijke eten van vroeger, vol aanstekelijke, humoristische verhalen over al het heerlijks dat de Vlaamse keuken te bieden heeft.
de bevrijdingsdagen van Curzio Malaparte, Viktor Nekrasov, Simone de Beauvoir, Michel Tournier, Louis Paul Boon, Hans Koning, Anatoli Koeznetsov, Primo Levi en vele anderen (Meulenhoff pocket editie)
159bladzijden
6 uur lezen
Bundel verhalen over de bevrijdingsdagen in Europa 1944/1945.
Cadeaus.....Verjaardag en zijn saaie rituelen en negatieve aspecten, want je wordt weer een jaartje ouder.Nu een boekje met grappige verhalen van Theodor Holman, Jules de Corte, Nico Scheepmaker en Beatrijs Ritsema.Dus....een leuk cadeau voor een jarige job
Nooit eerder samengebundeld, maar toch bepaald geen vreemden van elkaar: het veelgelezen *Mijn kleine oorlog*, de jazzy evocatie van een kapotgebombardeerde wereld, en het onterecht minder bekende filmscenario *De atoombom en het mannetje met den bolhoed*, dat door de schrijver wordt omschreven als ‘een grootsch opgevatte jazz’. Boon voegde hieraan toe dat het niet symphonisch is, aangezien symfonie eenheid in veelstemmigheid impliceert. Na een tweede allesverwoestende oorlog in een kwarteeuw was zoveel harmonie ongepast. Beide werken zijn een klap in het gezicht van de burger die na het massale geweld de draad weer oppakt, alsof de vooroorlogse beschaving niet aan gruzelementen ligt en de finale ondergang niet nadert. Als waarschuwing voor het ondenkbare wordt de burger aan het slot van Boons scenario bedekt met een fijn laagje radioactief zand: Atoombom niets – duisternis – langzaam te voorschijn komen van een woestijn – eindigend voetspoor van een voor de helft onder het zand bedolven bolhoedje. Van *Mijn kleine oorlog* wordt hier de eerste druk gepresenteerd, de meest ruwe, onfatsoenlijke en dus beklijvende versie: “En ik schijt op adrianus schoonevorm, pseudoniem van andré gatlikker, die een intellektueel is en verzen schrijft, peins eens – en er over piekert of SCHRIJVEN wel het juiste woord is, zou het niet BAREN moeten zijn?”
Het burgermeisje Ondineke Bosmans waant zich het centrum van het universum. Om hogerop te komen in het leven gooit ze haar vlechtjes en borstjes en sluwheid in de strijd. Ze wil koste wat kost ontsnappen aan het grauwe bestaan in "de stad van de 2 fabrieken waar het altijd regent, zelfs als de zonne schijnt'. Ondine is evenwel te zelfzuchtig om haar situatie goed te kunnen beoordelen. Onbewust zwemt ze tegen de stroom van de geschiedenis in en zo verprutst ze het telkens weer voor zichzelf en voor haar naasten. Uiteindelijk blijft Ondine met lege handen achter, terwijl de mensen om haar heen het ware geloof menen te hebben ontdekt: het geloof in gestage vooruitgang door wetenschap en techniek. Maar hoe zonnig sommigen het ook inzien, het blijft maar regenen in "de stad van de 2 fabrieken'. Die stad blijkt onze eigen naoorlogse wereld te zijn, waarover de schrijver van Ondines verhaal en enkele huisvrienden heftig debatteren. Over één ding zijn ze het niettemin eens: het is de hoogste tijd om met zijn allen op zoek te gaan naar "de waarden die waarlijk tellen' in ons kortstondige bestaan. De Kapellekensbaan is een grote roman over hoe we vandaag het slachtoffer dreigen te worden van een verkeerd begrepen moderniteit. Dit telkens weer herdrukte meesterwerk van Louis Paul Boon is het absolute hoogtepunt van de Nederlandstalige literatuur van de vorige eeuw.
David is de kleinzoon van de schrijver, Louis Paul Boon, grootvader geworden, geeft in dit boek zijn ervaringen in zijn nieuwe hoedanigheid weer; de zenuwachtige tijd van voor de geboorte tot aan het bereiken van Davids vierde levensjaar. De verteltrant moet wel springerig zijn; alleen de belangrijkste -voornamelijk komische- gesprekken en gebeurtenissen komen aan de orde. Boon transponeert zichzelf in zijn kleinzoon, wat een bijzonder aardig effect oplevert. Vandaar dat we eigenlijk meer over de schrijver te weten komen, dan over de ontwikkeling van een kinderleven. Een kostelijk verhaal, dat ieder direct aanspreekt.
Verzameling autobiografisch getinte column's die Boon voor zijn krant schreef. Hier is niet een strijdbare Boon aan het woord die wild om zich heen slaat, maar de persoonlijke stellingname zit nu in de tevredenheid over het eenvoudig landleven. Een pijpje roken, een pintje drinken, een wandeling maken, de natuur beleven in de vallende avondschemering of de wisseling der seizoenen, dat zijn de onderwerpen van dit boekje. Korte, los verbonden stukjes, die de lezer aanzetten tot gemijmer, want juist in het hele gewone zit hier het hele bijzondere.
Het erotische leven van de hoofdfiguur, die als kind een levensvreemd jongetje is geweest, wiens vader al enkele maanden na zijn geboorte verdween en wiens moeder een hel en een heks voor hem was, is doortrokken van grijze gedruktheid, geheimzinnige onzekerheid en obsessieve angst.Ouder geworden, droever, en niet veel wijzer, naast een vrouw met wie hij de liefde als plicht zonder vreugde beleeft, vlucht hij weg in zijn herinneringen. Het beklemmende geheim van zijn hart wil hij eindelijk prijsgeven. Het is een verslag van onvervulde dromen, verlangens, begeerten en illusies.
Het Vlaamse episcopaat vond het vooral een schunnig boek en het werd verboden. Mieke Maaike's obscene jeugd - pornografisch verhaal, voorafgegaan door een proefschrift 'in en om het kutodelisch verschijnsel', waarmee student Steivekleut promoveerde. Recensie; De herdruk van deze Nederlandse pornografische klassieker is weer geillustreerd met oude erotische foto's. Eerdere drukken waren gesierd met tekeningen van Boon zelf of van Peter van Straaten. De student Steivekleut maakt een proefschrift 'omtrent en in het kutodelisch verschijnsel bij aankomende kind-wijfjes'. Hij vindt de negentienjarige Mieke Maaike bereid zijn informant te zijn. Haar levensverhaal speelt zich af (afspelen heeft in Mieke's jargon een speciale betekenis) over een aaneenschakeling van mannelijke geslachtsdelen. Rond haar achttiende is 'gewone' seks niet meer voldoende en krijgt ze steeds meer behoefte om iemand af te rossen tijdens het vrijen. Nog beter is het als ze iemand kan laten afrossen, bij voorkeur een jaloerse echtgenote.
This, the author writes, is "the novel of the individual in a world of barbarians." It is the story of Ondine and Oscarke, a young married couple adrift in a Belgian landscape that is darkening under the spread of industry and World War I. Ondine, who "came to serve god and live," finds that she must "serve the gentlemen" instead. Oscarke, an aspiring sculptor, finds himself unsuccessfully scouring Brussels for work and, when he is finally hired, too tired to make his own art. They grow old and their four children grow up as "technology and mechanization, unemployment, fascism, and war" take over around them. War destroys their attempts to establish a better life, which they seek continually and against all odds. And the chapters about these characters, some of whom first appeared in Chapel Road, alternate with chapters about Boon himself, who describes the impossibility of modern life and the destruction of war. As this wide-ranging novel progresses, the author's struggles--both with writing and with his own life--come more and more to resemble those of his characters.