De zoektocht van drie vertellers, een jonge Hongaar in Oost-Duitsland omstreeks 1970, een jongen in de jaren vijftig in Boedapest en een Duitse schrijver aan het begin van de 20e eeuw, naar hun identiteit.
In twee bijna filmisch beschreven dagen verliezen vier jongens niet alleen hun jeugd, maar - belangrijker nog - ook het geloof in werkelijke vriendschap en de hoop op een goede toekomst. De opstandigen handelt over het onstuimige zielenleven van vier vrienden die juist hun eindexamen achter de rug hebben. Hun jeugd hebben ze al achter zich gelaten, maar ze zijn nog niet in de wereld der volwassenen aangekomen. De voor Hongarije zo noodlottig verlopende Eerste Wereldoorlog en de zich al aankondigende ondergang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie vormen het onheilspellende decor van de roman. Terwijl hun vaders aan het front vechten, verenigen Ábel, Tibor, Erno en Béla zich tot een bende om te rebelleren - niet alleen tegen het gezag van de volwassenen in hun omgeving, maar tegen de hele wereld. Márai schreef de roman De opstandigen in de beginperiode van zijn schrijversloopbaan, in 1929. De schrijver zelf beschouwde dit boek als zijn beste werk, waarin zijn talent het meest tot zijn recht kwam.
In Tuinfeest trekt, tegen het decor van de geschiedenis van Hongarije en de Hongaarse joden, een stoet van levende maar vooral ook dode verwanten en bekenden, tegenstanders en naamloze passanten aan het geestesoog van de ik-figuur voorbij. Tragische gebeurtenissen worden afgewisseld met vrolijkheid en inkeer, humor en geluk. De doortocht van zijn familie door bezetting, deportatie en terreur is gruwelijk en ontroerend. Zijn betrekkingen met vrouwen geven aanleiding tot sterke erotische passages. Temidden van dit feestgedruis van geesten wordt hij geconfronteerd met zijn eigen afstandelijkheid en met de actieve politieke betrokkenheid van zijn alter ego, de hartsvriend uit zijn jeugd die tenslotte naar het Westen emigreert. De ik-figuur heeft zich minder gehecht, maar is wel gebleven.